Recensies

Ewout Kattouw schreef dit boek na een carrière van bijna 25 jaar als psychiatrisch patiënt. In die jaren kreeg hij 44 verschillende psychofarmaca voorgeschreven die hem bijna het leven kostte. Na lezing van het boek kon ik niet anders concluderen dan ‘wat een ongelofelijke amateurs’ hebben Ewout behandeld. Hoe is dit mogelijk en waarom blijft dit maltraiteren van mensen maar doorgaan en worden er geen discussies gevoerd over de wetenschappelijke grondslagen van het gebruik van psychofarmaca?

Ewout ontwikkelde fase-gerelateerde klachten in de puberteit en kreeg van zijn huisarts een antidepressivum voorgeschreven. Hiermee werd een dramatische wending van zijn leven in gang gezet, voor ogenschijnlijk ‘normale puberteitsproblemen’. Hij ging van de ene hulpverlener naar de andere en afgezien van een enkeling, omhelsden zij allemaal de biologische psychiatrie. Zij stelden steeds weer andere diagnosen en probeerden vrijwel alle in de handel zijnde psychofarmaca op hem uit. Het leidde tot toenemende lichamelijke klachten en nieuwe psychische klachten door ongewenste combinaties van psychofarmaca, het voorschrijven tegen de contra-indicatie in, en het weigeren te erkennen dat psychofarmaca meer of minder ernstige bijwerkingen kunnen hebben.

Hij belandt een aantal keren in een isoleercel en men voorziet dat hij als chronisch patiënt, wellicht in gedwongen opname, zijn leven zal moeten vervolgen. Dat de hem toegediende psychofarmaca wel eens een deel van de klachten die Ewout ervaarde zouden kunnen verklaren wordt door geen psychiater opgepakt.

Hij ontwikkelt een hartaandoening, cardiomyopathie, zeer waarschijnlijk door antidepressiva. Een gevaarlijke aandoening. Op een gegeven moment heeft hij ernstig hartfalen en nog maar een hartfunctie van circa 10% en een levensverwachting van een jaar. Omdat hij psychiatrisch patiënt is komt hij niet in aanmerking voor een harttransplantatie. Het einde lijkt in zicht, een dramatisch eind van een door psychofarmaca verwoest leven.

Maar het liep anders en het kwam weer goed: Ewout nam het heft in eigen hand. Hij ging lezen, praten, bezocht lezingen en probeerde de lijn van zijn leven terug te vinden. Uiteindelijk resulteerde dit in een meeslepend boek waarin hij artsen, psychologen en psychiaters een spiegel voorhoudt: wie is hier nu eigenlijk gek? Die vraag kan de lezer zelf beantwoorden na het lezen van dit boek.

Voor mij geldt als belangrijke vraag waarom belangrijke wetenschappelijke onderzoeken en gegevens niet of onvoldoende doordringen tot de wereld van psychologen en psychiaters. Daarover moet de discussie ook gaan. Twee bekende en zeer verschillende onderzoekers in de psychiatrie, zoals Allen Frances en Peter Gøtzsche, zijn beide van mening dat huisartsen geen psychofarmaca moeten en mogen voorschrijven omdat het hun aan elementaire kennis ontbreekt omtrent werking, bijwerkingen, interacties en contra-indicaties.

Medicijnen zijn de derde doodsoorzaak na hart- en vaatziekten en kanker en psychofarmaca dragen daar in belangrijke mate aan bij. Vooralsnog lijkt de belangrijkste manier om hier iets aan te doen patiënten te mobiliseren en laten inzien dat het zo niet langer door kan gaan. Neem het heft in eigen hand, dit is ook Ewouts boodschap.

Dit boek is een aanrader voor gebruikers van psychofarmaca, de voorschrijvers ervan en de hulpverleners in de psychiatrie.

De boekpresentatie vond plaats in Utrecht op 23 maart 2022 in de Vereeniging in Utrecht en kan worden teruggekeken via deze link: https://www.ewout-kattouw.nl

Ewout en ik geven lezingen over de problemen van de psychofarmaca en u kunt ons boeken via www.hetpillenprobleem.nl en via https://www.ewout-kattouw.nl/

Het boek is verkrijgbaar bij Uitgeverij De Graaff Utrecht en bij elke boekhandel te bestellen.

Ik ben de middelste uit een gezin met drie kinderen. Ik heb een drie jaar oudere zus en een één jaar jongere broer. Mijn vader was destijds ambtenaar bij de provincie Friesland en mijn moeder huisvrouw. We woonden in Gytsjerk dat tussen Leeuwarden en Dokkum ligt. Gytsjerk is een oud dorp waar mijn ouders begin jaren zeventig zijn gaan wonen in een ruime nieuwe rijtjeswoning. Na die tijd is er nog veel bijgebouwd in en rond het dorp en er kwam steeds meer import, waar wij ook toe behoorden. We gingen alle drie naar dezelfde basisschool. Dit was een christelijke basisschool, die hooguit tweehonderd meter van ons huis af stond. (pag. 113) Als je bovenstaande tekst leest, zou dit een passage kunnen zijn uit een leuk autobiografisch jongensboek. Echter is het een passage uit het boek “Wie is er nou eigenlijk gek?”, geschreven door Ewout Kattouw. Het gaat over Ewout en is zeker niet een leuk jongensboek. Ewout, de hoofdpersoon in het boek, zoekt op 17- jarige leeftijd hulp vanwege adolescentieproblematiek. Hij beschrijft zijn 23 jaar lange weg in de psychiatrie. Dit doet hij door zijn eigen herinneringen, zijn dossier, interviews met zijn naasten en oud- behandelaars te beschrijven. Hoe de DSM diagnostiek lijkt te overheersen, de hulpverlening niets anders lijkt te kunnen dan weer medicatie voorschrijven "passend” bij de gewijzigde diagnose. In zijn periode binnen de geestelijk gezondheidszorg heeft hij 22 verschillende diagnoses en ruim 40 verschillende psychiatrische medicijnen op zijn GGZ C.V. staan. Ewout belicht de kant van het vele medicatie voorschrijven goed in zijn boek. Wat er in zijn behandelingen onderbelicht is gebleken zijn de vele bijwerkingen. Hier werd weinig tot geen aandacht aan besteed. Diagnoses zijn achteraf gezien vaak gesteld aan de hand van de bijwerkingen van de medicatie. Hij neemt ons in zijn boek mee in zijn ervaringen in de psychiatrie en het er weer uit komen na jaren. De verschillende kanten te belichten, onder de loep te nemen, interviews af te nemen en te reflecteren met oa. Paul Verhaeghe, Jim van Os en Philippe Delespaul. Ewout geeft duidelijk weer in zijn boek dat het een gemiste kans is voor de hulpverlener als het gaat om echt contact maken, luisteren naar het verhaal van de hulpvrager, kijken naar de sociale context die meespeelt. Het verhaal, narratief, achter de hulpvrager. Of misschien wel beter omschreven als gewoon, de mens. Hoe kijkt de maatschappij naar de psychiatrie? De psychiatrie functioneert binnen de gemaakte maatschappelijke keuzes. Dit zijn keuzes die voortvloeien uit het neoliberalisme, waarin geld, productiviteit en verdienen binnen een bedrijfsmodel het grootste doel is. Grote logge bedrijven die aanbodgericht zijn en zichzelf in stand proberen te houden. Ook hierin is weinig ruimte voor het narratief van de hulpvrager. De overheid en de zorgverzekeraars zijn er vooral op gericht op het binnen de perken houden van de kosten en uit het straatbeeld verwijderen van de zogenaamde verwarde vrouw/ man. Die laatste is toch wel erg beangstigend en lastig. In mijn hulpverleners brein gaat dan gelijk een lampje branden. Iedereen heeft zijn verhaal, laten we daar eens mee beginnen. Ook verwarde en lastige mensen op straat. Een mens is niet op een zichzelf staand wezen dat los van zijn omgeving functioneert, maar een kleine schakel in het grote geheel. De samenleving kijkt nu naar de psychiatrie als een “fixinstituut”. Iemand op laten nemen, pillen erin en weer terug de maatschappij in. Gefixt. Een enorme druk op de schouders van de hulpverlener, die ook ervoor kan zorgen dat de hulpverlener in crisis raakt. Moet de psychiatrie niet een andere functie krijgen in deze maatschappij? De titel maakte mij nieuwsgierig; krijg ik na het lezen van dit boek antwoord op de vraag? Want als de psychiatrie gek is, dan doe ik daar als SPV i.o. aan mee. Je begint je aardig te schamen als hulpverlener in de GGZ na het lezen van dit boek. Echter kan het ook een mooie eye opener zijn om te kijken naar verbetering. De verbinding zoeken van cliënt, de psychiatrie en de maatschappij. De SPV is gericht op stepped care en matched care. Stepped care wil zeggen zo "licht" mogelijk en zo "intensief" als nodig als je kijkt naar behandeling, zorg of begeleiding. Matched care verwijst naar de afstemming van dosering van de hulpverlening op de ernst van de problematiek, de sociale rollen en de psychologische mogelijkheden van de patiënt. Zou de SPV meer van zichzelf mogen laten zien in het contact? Zou dit helpen bij het opbouwen van een veilige (behandel) relatie? Is hier nog flinke winst te halen als je naar de opleidingen van tegenwoordig kijkt? Worden hulpverleners nog zo opgeleid om zo weinig mogelijk over zichzelf te delen? Ik denk dat daarin enorme winst te behalen valt. Wat mij opvalt in het boek is dat de rol van SPV weinig beschreven wordt. De rol van psychiater uitgebreid, echter waar is de SPV in dit verhaal? Mijn vraag is dan ook; moeten we als SPV ons niet veel meer laten horen? Moet de SPV niet een veel grotere rol krijgen in de behandeling/ begeleiding van de cliënt? Ik denk zeker dat de SPV een grotere rol moet krijgen in de behandeling. Het breder kijken, gehele context, mis ik in dit boek. Hierbij is samenwerking met de regiebehandelaar, cliënt en systeem van cliënt belangrijk. De SPV is goed in stepped care; dat is al misgegaan bij Ewout. Bij nog lichte klachten werd er gelijk medicatie voorgeschreven. SPV zouden een grotere rol moeten gaan spelen op veel meer plekken in de maatschappij. Normaliseren, een woord wat maakt dat cliënten zich niet gelijk ziek voelen. Een aanrader. Ik kan er niets anders van maken. Maakt niet uit of je cliënt, hulpverlener of medeburger bent; een ieder pikt er iets van op. Het leest makkelijk, fijne afwisseling met de interviews tussendoor en Ewout zijn verhaal. Mijn twijfel over hoe er gekeken wordt vanuit het medisch model, is bevestigd. Ik, SPV i.o., ga door met luisteren naar “mijn” hulpvragers om verdere crisis te voorkomen, niet gelijk te willen fixen.

“Daar zat ik dan opgesloten in een gesticht, ik wilde niet meer leven, was doodsbang en radeloos. Mijn ergste nachtmerries waren werkelijkheid geworden. Ik was niks meer, een zielig hoopje ellende. Mijn leven was voorbij, voordat het ooit had kunnen beginnen”.

Dit klinkt als een passage uit een fictieve gedramatiseerde roman die waarschijnlijk goed gaat aflopen. Niets is minder waar. Dit boek behelst een relaas die begint bij een 17 jarige jongeman die hulp zocht vanwege adolescentie problematiek. Het is een kritisch document op de geestelijke gezondheidszorg, die ons in eerste instantie het schaamrood op de kaken doet verschijnen, maar vervolgens de mogelijkheid geeft om te kijken waar we staan als GGZ, wat we beogen en hoe we dit vooral met elkaar gaan bewerkstelligen.

Ewout Kattouw is de hoofdpersoon in dit boek waarin hij beschrijft hoe hij in de GGZ belande en hoe hij zich hier na twintig jaar als chronisch psychiatrisch patiënt bestempeld te zijn aan heeft kunnen ontworstelen. Hij schetst ons een ontluisterend beeld over de invloed van de DSM op het gebruik van medicatie. In zijn geval waren dat 22 verschillende diagnoses en 40 verschillende psychiatrische medicatie. Het lijkt een horrorverhaal die droevig genoeg realiteit is. Realiteit waar de hulpverlener met al zijn goede bedoelingen bij staat en naar kijkt.

Tegelijkertijd laat het ons ook zien waar onze kansen liggen als samenleving. Wat zijn goede elementen in de hulpverlening welke daarvan moeten we meer aandacht geven. Kattouw noemt in zijn boek meerdere keren dat er geen sprake is geweest van Shared decision making, er werden steeds meer en andere pillen voorgeschreven zonder dat de bijwerkingen met hem werden besproken. Wanneer deze al wel werden genoemd was het minimaal en werd dit gebagatelliseerd. Achteraf stelt Kattouw dat de diagnoses die in de loop der tijd gesteld zijn bij hem, veelal te wijten waren aan de bijwerkingen van de medicatie. De psychiatrie werd gezien als een machtig instituut die wel zou weten wat het beste voor iemand was en vooral die wist hoe ze iemand konden repareren die stuk was of een stofje miste. Deze terminologie zorgt voor een groot zelfstigma en stigma, er is immers iets niet in orde met je.

Waar de hulpverlener in dit boek van kan leren of zichzelf mee mag complimenteren is het gelijkwaardig benaderen van de hulpvrager. Het compassie hebben voor de hulpvrager. Het contact is, zo benadrukt dit boek, van grote waarde. Zonder contact is er weinig tot niets mogelijk in de behandeling. Luister naar het narratief van de hulpvrager, kijk naar de sociale context en wees niet bang voor nabijheid. Professionele nabijheid zorgt voor het kunnen opbouwen van een veilig relatie.

In zijn beschouwing van het boek schetst Kattouw ons nog een kritische blik op onze neoliberale maatschappij. Doordat deze zegt dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn of haar geluk en succes een keuze is, er een grote groep mensen is die doordat ze daar niet aan kunnen voldoen vast komen te zitten met een gevoel van falen en mislukking. Dit zou één van de oorzaken kunnen zijn waardoor mensen psychische problemen krijgen. De samenleving vindt dit lastig en ziet dit liever niet. De samenleving verwacht dat de psychiatrie dit fixt. Wanneer dit niet lukt raken zowel de hulpverlener als de hulpvrager gedesillusioneerd. De samenleving heeft het beeld dat alles maakbaar is en dat de medische wetenschap veel, zo niet alles kan. Deze druk op de schouders van de hulpverlening is zeer schadelijk, want verwachtingen kunnen niet worden waargemaakt.

Al met al een boek waarin de schrijver ons meeneemt in zijn ervaringen in de psychiatrie en zijn loskomen van de psychiatrie. Hoe hij van een slachtoffer is gekomen tot een hulpvrager die regie neemt. En sterker nog hoe Ewout Kattouw is geworden tot wie hij nu is: een pleitbezorger  die ons bewustmaakt van de risico’s van het huidige medische model in de psychiatrie en een bijdrage levert aan een paradigma verschuiving van een psychiatrie van breinspecialisten naar een psychiatrie die zich meer als maatschappij specialisten ontwikkelt.

Dit is een boek die ik je aan welke kant van de lijn je ook staat, mocht er al een lijn zijn, aan wil raden. Het is makkelijk leesbaar en schetst haarfijn een beeld van de psychiatrie en de farmacie waarvan we allemaal mogen hopen dat het alleen maar beter gaat worden.

Voor het schrijven van het boek heeft Kattouw gebruik gemaakt van interviews met onafhankelijke deskundigen zoals Jim van Os, Trudy Dehue, Paul Verhaeghe, Dick Bijl, Philippe Delespaul, Harald Sneijder, Olaf Galisch en anderen.

De Belgische Christine Van Broeckhoven is een wereldautoriteit op vlak van onderzoek naar dementie, en naar aanleiding van haar zoveelste wetenschappelijke onderscheiding werd ze in de lente van 2012 geïnterviewd. Tijdens dat gesprek verwijst ze naar het feit dat ze zwaar depressief geweest is (De Standaard, 12 mei 2012). Op de vraag of ze antidepressiva genomen heeft, antwoordde ze: ‘Ik heb dat geweigerd. Omdat ik ook weet dat zulke pillen niet echt werken. [...] Ik had een zware depressie, inclusief zelfmoordneigingen, en ik ben zeker dat ik er niet sneller bovenop zou zijn geraakt met medicatie.’ De reactie van de journalist – ‘Dat is een sterke uitspraak!’ – getuigt van zijn verrassing, en dus van het feit dat hij niet op de hoogte is van wat Van Broeckhoven, als topwetenschapster, duidelijk wel weet. Antidepressiva werken nauwelijks en veroorzaken veel neveneffecten; voor zover ze al een positief resultaat hebben, valt dat grotendeels toe te schrijven aan het placebo-effect.

Van Broeckhoven heeft gelijk. Onderzoek gebaseerd op de resultaten die de farmaceutische firma’s zelf hadden ingediend bij de Amerikaanse Food en Drug Administration toont dat het verschil inzake werkzaamheid tussen antidepressiva en een placebo statistisch minder dan tien procent is en klinisch grotendeels verwaarloosbaar. Deze vaststelling, die door tien groepen onafhankelijke beoordelaars bevestigd werd, heeft nog steeds geen aanleiding gegeven tot een radicale ommekeer in de behandeling van depressie. Integendeel, het aantal voorschriften blijft stijgen. Wat de voorbije jaren nog vele malen duidelijker werd, zijn de invaliderende neveneffecten – de pillen helpen je niet, maar je wordt er wel afhankelijk van, en eens je ermee stopt, worden de neveneffecten ondraaglijk.

Tot op de dag van vandaag zijn artsen en patiënten zich hiervan veel te weinig bewust. De farmaceutische industrie zorgt voor een doelbewuste misleiding (bekijk Dopesick https://en.wikipedia.org/wiki/Dopesick_(miniseries)). Bovendien past het gebruik van medicijnen als veronderstelde ‘quick fix’ perfect in het heersende sociaaleconomische klimaat. Vandaar het enorme belang van een tegengewicht, zoals bijvoorbeeld geboden kan worden door goed onderbouwde getuigenissen van mensen die het slachtoffer werden van hun ‘behandeling’. Het voorbije decennium zijn er verscheidene gepubliceerd. Wie is nou eigenlijk gek? van Ewout Kattouw is het meest recente, en steekt met kop en schouders uit boven al zijn voorgangers.

In vogelvlucht

Het boek is geen afrekening, geen zwart-wit aanklacht tegen de ‘slechte’ psychiatrie, terwijl alle gegevens voorhanden waren om dat te doen. Ewout Kattouw heeft een evenwichtig werk geschreven, waarin hij persoonlijke ervaringen afwisselt met wetenschappelijke onderbouwde gegevens, met als doel een bijdrage te leveren tot een betere organisatie van de psychiatrische hulpverlening. Dit boek moet verplichte lectuur worden voor artsen-in-opleiding, zoveel is duidelijk.

In vogelvlucht krijg je als lezer het volgende voorgeschoteld. Je leert de jonge Ewout kennen, zijn gezinsachtergrond en de problemen die hij had als adolescent, zoals hij en mensen uit zijn omgeving zich herinneren. Dit staat in schril contrast tot het vervolg, met name zijn tragische ervaringen – tragisch is een understatement – met de psychiatrie. Het relaas daarover is ondermeer gebaseerd op de medische verslagen en op gesprekken met toenmalige hulpverleners. Vervolgens lezen we hoe hard ontwenning wel is en hoeveel tijd dat vraagt –  ontwenning van de enorme  hoeveelheid medicijnen die hij voorgeschreven kreeg. Pas daarna volgt het hoofdstuk waarin hij zijn herstelperiode beschrijft, met als insteek de vraag wat er hem geholpen heeft en wat niet. Het boek eindigt met hoofdstukken die breder gaan dan het persoonlijke. Zo krijgen we de reflecties te lezen van acht wetenschappers (er zitten een aantal toppers bij), die al jarenlang een pleidooi houden voor een andere aanpak in de psychiatrie. Het boek besluit met een beschouwende conclusie die op een constructieve manier aangeeft waar het vandaag vaak fout loopt en hoe we een andere weg kunnen inslaan met de hulpverlening. Tot slot komt er nog een uitvoerig en pragmatisch addendum met aanbevelingen voor het starten, monitoren én afbouwen van psychofarmaca, samen met een verwijzing naar een door de auteur opgerichte, daarbij aansluitende stichting: www.stichting-pill.nl. 

Een ziekmakende hulpverlening

De combinatie persoonlijk verhaal en onderbouwde bespiegelingen maakt dit tot een zeer sterk boek. Nauwelijks achttien jaar oud raakt de schrijver verzeild in een problematiek die net iets zwaarder is dan wat de gemiddelde adolescent meemaakt. Samen met zijn ouders zoekt hij hulp, eerst bij de huisarts, later bij een psychiater. Binnen de kortste keren komt hij in de maalstroom van de medisch-psychiatrisch-farmacologische hulpverlening terecht. Hij krijgt een psychiatrisch label – een eerste – samen met een voorschrift voor anti-depressiva. Wat volgt is een aaneenschakeling van langdurige opnames in de psychiatrie en beperkte ambulante hulpverlening. Geen enkele hulpverlener neemt de moeite om met hem te praten en naar hem te luisteren (depressie is een verstoorde chemische balans in de hersenen, toch?). De pillen helpen niet, integendeel, en het ontbreken van een dragende psychosociale hulpverlening duwt hem steeds verder de dieperik in. Hij zal die pas twintig jaar later krijgen (en er eerst heel veel moeite mee hebben).

Het resultaat van zijn traject in de hulpverlening is vele malen zwaarder dan de problemen waarvoor hij oospronkelijk hulp zocht. Op drieëntwintig jaar tijd krijgt hij 21 (!) verschillende psychiatrisch-diagnostische labels opgeplakt, die nauwelijks aansluiten bij zijn problemen maar telkens bij de nieuwste hype in de psychiatrische diagnostiek (ADHD is er eentje van). Een van de laatste diagnoses in de rij is zonder twijfel de meest correcte: PTSS, posttraumatische stressstoornis, met als trauma ondermeer de gedwongen verblijven in een isolatiecel.

Gedurende die drieëntwintig jaar krijgt hij 41 (!) verschillende psychofarmaca voorgeschreven, waaronder 13 verschillende antidepressiva. Hij wordt hoe langer hoe zieker, waarbij in terugblik zijn lichamelijke én mentale toestand te wijten is aan de ziekmakende bijwerkingen van de medicijnencoctail. Op geen enkel ogenblik leggen de medische hulpverleners een verband tussen de verslechtering van hun patiënt en de psychofarmaca die ze hem voorschrijven, terwijl dat o zo duidelijk is. Ook zijn familie blijft het volste vertrouwen hebben in de aanpak van de artsen, terwijl zijn toestand van kwaad naar erger gaat. Het is zonder meer een wonder dat hij dit overleefd heeft en er zich heeft uit kunnen losrukken.

Wanneer hij drieëntwintig jaar later terug boven water komt, is hij een man van begin de veertig, die rondom hem een veranderde, vijandige wereld waarneemt waarin hij, met een vertraging van meer dan twintig jaar, een plaats dient te vinden. Het schrijven van dit boek is daar een uiterst belangrijke stap in.

Wat helpt er wel, wat helpt er niet?

Uit hoofde van mijn werk aan de universiteit ben ik vrij goed bekend met het wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van behandelingen. In het merendeel van de gevallen bevestigen die wat elke onderzoeker met enige ervaring je zo kan vertellen. Wat er daarentegen maar zelden onderzocht wordt, is wat er niet werkt of zelfs negatieve gevolgen heeft. Nog zeldzamer zijn de evaluaties door de hulpvragers zèlf. Wanneer een hulpvrager met een kwart eeuw ervaring in de hulpverlening de zaken op een rijtje zet, dan heeft de sector er alle belang bij daar zeer aandachtig naar te luisteren.

Ewout Kattouw beschrijft met kennis van zaken een hele lijst van in de hulpverlening gangbare praktijken die niet helpen, te beginnen met het opspelden van diagnostische labels. Deze hebben altijd stigmatiserende effecten. Zo gaat de omgeving elk gedrag en emotie van de betrokkene interpreteren in functie van het label, na verloop van tijd bestaat het risico dat de ‘patiënt’ er zelf in gaat geloven en in het merendeel van de gevallen blijft het label iemand levenslang achtervolgen.

Wat de grootste schade toebrengt, zijn langdurige opnames op een psychiatrische afdeling. Niemand zal betwijfelen dat een opname nodig kan zijn en dat de betrokkenen er baat bij kunnen hebben. Langdurige opnames daarentegen werken bij nagenoeg iedereen nog meer invaliderend. Tijdens een opname is disciplinering van ongewenst gedrag (een kwartiertje te laat terugkeren van een afspraak buiten het ziekenhuis) een courante praktijk. Vaak wordt dit voorgesteld als een onderdeel van de ‘behandeling’ – dit is het niet, het is machtsuitoefening met navenante gevolgen. Verplichte verblijven in een separatiecel hebben ronduit traumatiserende effecten en kunnen beter verboden worden. Medicijnen werken in het beste geval symptoombestrijdend, wat soms hard nodig kan zijn. Het langdurig gebruik ervan heeft altijd neveneffecten waarvan sommige gevaarlijk zijn; bepaalde medicijnen kunnen zelfs op korte termijn al ziekmakende effecten hebben. Bovendien krijgt het merendeel van de patiënten een coctail voorgeschreven; de effecten van dergelijke coctails zijn wetenschappelijk nooit onderzocht, in de klinische praktijk werken ze sterk invaliderend. Te mijden dus.

Wat helpt er wel? Een kortdurende opname en een oordeelkundig gebruik van psychofarmaca kan tijdelijk soelaas bieden en een startplatform creëren om tot verandering te komen. Psychotherapie, in al haar verschillende vormen, kan helpen, op voorwaarde dat er daadwerkelijk geluisterd wordt en de hulpvrager actief betrokken wordt bij zijn herstelproces en dat de psychotherapie over een voldoende lange periode kan lopen en niet op voorhand beperkt wordt in de tijd. Tot slot is het uitermate belangrijk een sociaal luik te voorzien in de behandeling, waar interacties plaatsgrijpen die niet ‘therapeutisch’ ingekleurd zijn – dagactiviteiten samen met andere mensen die de hulpvrager niet benaderen als ‘ziek’ of ‘gestoord’, maar die op een normale manier met hem omgaan; die bijvoorbeeld dingen van hem verwachten en duidelijk maken wanneer iets goed gedaan is en wanneer niet.

De geschiedenis herhaalt zich niet, ze stottert.

Vijftig jaar geleden schreef de Nederlandse psychiater Jan Foudraine het boek Wie is van hout… Een gang door de psychiatrie, waarin hij waarschuwde dat de psychiatrie gereduceerd zou worden tot een medisch-ziektekundig aanpak (zie https://www.stichting-pill.nl/recensie-wie-is-van-hout-van-jan-foudraine). Hij pleitte voor een andere benadering, die we vandaag de dag als een combinatie zouden benoemen van systeem- en milieutherapie. Zijn boek werd dit jaar opnieuw uitgegeven, en wie het leest, zal kunnen vaststellen dat zowel de problemen die hij beschrijft als zijn oplossingsvoorstellen heel goed overeenkomen met wat Ewout Kattouw uitwerkt. Ondanks alle veranderingen is er op vijftig jaar tijd wezenlijk weinig veranderd. Het wordt tijd dat we dit ernstig nemen. 

Over de auteur:

Ewout Kattouw is een HBO gediplomeerd ervaringsdeskundige die zich heeft gespecialiseerd in het thema psychiatrische medicatie (psychofarmaca). Hij is tevens voorzitter en medeoprichter van stichting PILL.

Utrecht, uitgeverij de Graaff, 239 pagina’s.

 

Het voorbije decennium zijn er verscheidene gepubliceerd. Wie is nou eigenlijk gek? van Ewout Kattouw is het meest recente, en steekt met kop en schouders uit boven al zijn voorgangers.

Paul Verhaeghe