Recensie door Fieneke Kamphuis

“Daar zat ik dan opgesloten in een gesticht, ik wilde niet meer leven, was doodsbang en radeloos. Mijn ergste nachtmerries waren werkelijkheid geworden. Ik was niks meer, een zielig hoopje ellende. Mijn leven was voorbij, voordat het ooit had kunnen beginnen”.

Dit klinkt als een passage uit een fictieve gedramatiseerde roman die waarschijnlijk goed gaat aflopen. Niets is minder waar. Dit boek behelst een relaas die begint bij een 17 jarige jongeman die hulp zocht vanwege adolescentie problematiek. Het is een kritisch document op de geestelijke gezondheidszorg, die ons in eerste instantie het schaamrood op de kaken doet verschijnen, maar vervolgens de mogelijkheid geeft om te kijken waar we staan als GGZ, wat we beogen en hoe we dit vooral met elkaar gaan bewerkstelligen.

Ewout Kattouw is de hoofdpersoon in dit boek waarin hij beschrijft hoe hij in de GGZ belande en hoe hij zich hier na twintig jaar als chronisch psychiatrisch patiënt bestempeld te zijn aan heeft kunnen ontworstelen. Hij schetst ons een ontluisterend beeld over de invloed van de DSM op het gebruik van medicatie. In zijn geval waren dat 22 verschillende diagnoses en 40 verschillende psychiatrische medicatie. Het lijkt een horrorverhaal die droevig genoeg realiteit is. Realiteit waar de hulpverlener met al zijn goede bedoelingen bij staat en naar kijkt.

Tegelijkertijd laat het ons ook zien waar onze kansen liggen als samenleving. Wat zijn goede elementen in de hulpverlening welke daarvan moeten we meer aandacht geven. Kattouw noemt in zijn boek meerdere keren dat er geen sprake is geweest van Shared decision making, er werden steeds meer en andere pillen voorgeschreven zonder dat de bijwerkingen met hem werden besproken. Wanneer deze al wel werden genoemd was het minimaal en werd dit gebagatelliseerd. Achteraf stelt Kattouw dat de diagnoses die in de loop der tijd gesteld zijn bij hem, veelal te wijten waren aan de bijwerkingen van de medicatie. De psychiatrie werd gezien als een machtig instituut die wel zou weten wat het beste voor iemand was en vooral die wist hoe ze iemand konden repareren die stuk was of een stofje miste. Deze terminologie zorgt voor een groot zelfstigma en stigma, er is immers iets niet in orde met je.

Waar de hulpverlener in dit boek van kan leren of zichzelf mee mag complimenteren is het gelijkwaardig benaderen van de hulpvrager. Het compassie hebben voor de hulpvrager. Het contact is, zo benadrukt dit boek, van grote waarde. Zonder contact is er weinig tot niets mogelijk in de behandeling. Luister naar het narratief van de hulpvrager, kijk naar de sociale context en wees niet bang voor nabijheid. Professionele nabijheid zorgt voor het kunnen opbouwen van een veilig relatie.

In zijn beschouwing van het boek schetst Kattouw ons nog een kritische blik op onze neoliberale maatschappij. Doordat deze zegt dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn of haar geluk en succes een keuze is, er een grote groep mensen is die doordat ze daar niet aan kunnen voldoen vast komen te zitten met een gevoel van falen en mislukking. Dit zou één van de oorzaken kunnen zijn waardoor mensen psychische problemen krijgen. De samenleving vindt dit lastig en ziet dit liever niet. De samenleving verwacht dat de psychiatrie dit fixt. Wanneer dit niet lukt raken zowel de hulpverlener als de hulpvrager gedesillusioneerd. De samenleving heeft het beeld dat alles maakbaar is en dat de medische wetenschap veel, zo niet alles kan. Deze druk op de schouders van de hulpverlening is zeer schadelijk, want verwachtingen kunnen niet worden waargemaakt.

Al met al een boek waarin de schrijver ons meeneemt in zijn ervaringen in de psychiatrie en zijn loskomen van de psychiatrie. Hoe hij van een slachtoffer is gekomen tot een hulpvrager die regie neemt. En sterker nog hoe Ewout Kattouw is geworden tot wie hij nu is: een pleitbezorger  die ons bewustmaakt van de risico’s van het huidige medische model in de psychiatrie en een bijdrage levert aan een paradigma verschuiving van een psychiatrie van breinspecialisten naar een psychiatrie die zich meer als maatschappij specialisten ontwikkelt.

Dit is een boek die ik je aan welke kant van de lijn je ook staat, mocht er al een lijn zijn, aan wil raden. Het is makkelijk leesbaar en schetst haarfijn een beeld van de psychiatrie en de farmacie waarvan we allemaal mogen hopen dat het alleen maar beter gaat worden.

Voor het schrijven van het boek heeft Kattouw gebruik gemaakt van interviews met onafhankelijke deskundigen zoals Jim van Os, Trudy Dehue, Paul Verhaeghe, Dick Bijl, Philippe Delespaul, Harald Sneijder, Olaf Galisch en anderen.